De Normale Trekstoot

De eerste van de zes basisstoten: de normale trekstoot (30 tot 40 cm). Aan de hand van deze stoot legt hij de fundamenten uit van de fysieke lichaamshouding, de dynamische aanpassing van het tempo via de voeten en de greep, en het elimineren van mentale fouten tijdens de afstoot.

Lichaamshouding: Recht achter het “Stuur”

Conti vergelijkt de keu met het stuur van een auto; de speler moet er recht achter zitten om de juiste richting te waarborgen. Veel spelers kopiëren fouten van topspelers omdat de goede kwaliteiten onzichtbaar blijven.

  • Het Verticale Vlak: De keu bevindt zich in een verticaal vlak. Omdat de rechtervoet voor een rechtshandige speler de steunpilaar van het lichaam vormt, moet deze precies in dit verticale vlak geplaatst worden (onder de greep van de keu).
  • De Gouden Regel van de Houding: Het verticale vlak van de keu moet gelijktijdig door het midden van de rechtervoet én het midden van het gezicht lopen.
  • Balans en Afstand: Beide benen moeten licht en gelijkmatig gebogen zijn, terwijl de linkervoet uit balansoverwegingen links van het verticale vlak staat. De afstand tot de speelbal (B1) wordt bepaald door de linkerarm licht uit te strekken en de hand plat op het laken te leggen met de middelvinger dicht bij B1.
  • Beoordeling vooraf: Voordat de speler in houding gaat, moet hij iets achteruitstappen om van een afstand nauwkeurig te beoordelen hoe vol hij de tweede bal (B2) moet raken. Pas daarna stapt hij naar voren zonder de blik van B2 af te wenden.

Afstootmechanica en Doordringen

Een veelgemaakte fout bij de trekstoot is het onderbreken of plotseling terugtrekken van de onderarm uit angst voor doordrukken (pousseren).

  • Verlengen van de stoot: De onderarm moet soepel doortrekken om B2 de gewenste afstand te laten afleggen. Op een afstand van 30 tot 40 cm is doordrukken fysiek onmogelijk.
  • Keu op het laken laten liggen: Na de stoot moet de keu op het biljartlaken blijven liggen. Dit dwingt de speler de stoot volledig af te maken en voorkomt verkramping of spierreflexen in de schouder.
  • Correctie van B1: Als B2 goed loopt maar B1 onvoldoende terugkomt, is B1 niet diep genoeg geraakt. De linkerhand moet dan platter op het laken gelegd worden.

Het inpendelen (voorbeweging): Het voorbereidende schommelen maakt de onderarm soepel (opwarmen) en is het spiegelbeeld van de stoot. Er mogen geen rustpauzes zijn tussen de voor- en achterwaartse schommeling, omdat men anders vanuit stilstand stoot. Conti adviseert om bij wijze van oefening tweemaal soepel in te pendelen en direct ontspannen af te stoten.

Temporegeling via de Rechtervoet

Als B2 een langere weg moet afleggen (bijvoorbeeld over de lengte van de tafel), moet de stoot verlengd worden om B2 meer kracht mee te geven.

  • Verplaatsing van het steunpunt: Omdat de rechtervoet de pilaar van het lichaam is, trekt het achteruitplaatsen van de rechtervoet automatisch de rechter-schouder, arm en hand naar achteren.
  • Stelregel voor de voetpositie:
    • Ver uit elkaar liggende ballen: Rechtervoet ver naar achteren plaatsen om van ver te komen en de afstoot te verlengen.
    • Dicht bij elkaar liggende ballen (gesloten positie): Rechtervoet dicht bij de ballen plaatsen.
  • Verstelling bij de gesloten positie: Binnen een gesloten positie blijft de voet op zijn plek, maar verschuift de rechterhand op de keugreep naar voren of achteren om de juiste doordringing te reguleren.

Lichter Maken van de Stoot

Wanneer B2 korter bij B1 ligt, ontstaat een tegenstrijdig probleem: B2 moet minder kracht krijgen (minder ver lopen), maar B1 moet toch sterk teruglopen.

  • Het gevaar van de felle stoot: Een snelle, korte stoot vervalt snel in de verbannen rukstoot.
  • De Oplossing van Conti: Maak de afstoot lichter. Wat men aan gewicht verliest, wint men aan snelheid.
  • De Techniek: Men maakt de stoot lichter door de greep van de rechterhand aan de keu te versoepelen (lossen). Dit versoepelt het polsgewricht, dat aan het einde van de onderarmbeweging een natuurlijke extra snelheid aan B1 meegeeft.
  • Materiaal-conclusie: Om deze fijngevoelige gewichtsverschillen optimaal te benutten, is een lichte keu in het seriedebiljart onontbeerlijk.

Het Gevaar van “Maaien”

Wanneer de derde bal (B3) ver afgelegen aan de zijkant staat, vervallen spelers snel in een mentale valstrik.

  • Oorzaak van de maai-beweging: Uit angst om B3 te missen, fixeert de speler zijn blik op B3 en trekt hij de keu tijdens de afstoot zijwaarts naar B3 toe. Dit “geestelijk maaien” verstoort de richting, het tempo en de amorti.
  • De Oplossing: Bereken de positie vooraf met alle drie de ballen, maar zodra men in houding staat, bestaat B3 mentaal niet meer op de tafel. De focus ligt uitsluitend op het zuiver raken van B1 en B2.

Gouden Regel: Met drie ballen berekenen, met twee uitvoeren!.”