De derde fundamentele stoot van de serietechniek: de kleine stoot, toegepast bij uiterst nauwe, gesloten ballen die in het biljartjargon bekendstaan als de ‘bril-positie’.
Het Probleem van de ‘Brille’ en de Fout van het Korte Afstoten
Bij extreem nauwe posities staat elke biljarter onder hoogspanning vanwege het directe risico op pousseren of dubbel raken.
Volgens Conti vervallen spelers bij deze krapte meestal in twee fouten:
- Uit angst om te pousseren durven ze de positie niet uit te baten en vluchten ze direct naar een plaatsing.
- Ze proberen de punten er met een extreem korte, felle afstoot uit te ‘slepen’.
Conti keurt deze felle, korte afstoot echter af. Het kost namelijk te veel zenuwslopende concentratie om dit meerdere punten achtereen vol te houden, wat na 4 à 5 punten leidt tot mentale uitputting. Zijn oplossing is niet verkrampt kort stoten, maar vooraf fysieke maatregelen nemen die de stootlengte automatisch ’teugelen’.
Lichaamshouding en Greep bij de Bril
Om de doordringing van de stoot vooraf fysiek te beperken, past de speler zijn houding grondig aan:
- Direct aan de ballen staan: Voor het eerst staat de speler direct aan de ballen, met de rechtervoet vlak bij de positie onder het motto “nabije ballen met een nabij lichaam”. Rechter op boven de ballen.
- Greep op het rubber: De rechterhand pakt de keu helemaal vooraan op het rubberen handvat vast.
Het voorkomen van (de eerste) BIljardé
Bij een bril-positie liggen B1 en B2 bijna tegen elkaar aan, waardoor er twee opeenvolgende gevaren voor pousseren ontstaan: het raken van B2 door B1, en vervolgens het raken van B3 door B1. Om het pousseren op B2 uit te schakelen, gebruikt de ervaren speler drie vaste principes:
- Geef tegeneffect: Gebruik nooit effect aan de zijde van B2 (zoals links effect bij een bal die rechts ligt, omdat dit B1 naar B2 toe drijft; tegeneffect scheidt de twee ballen juist licht van elkaar.
- Speel B1 vrij diep aan: Dit zorgt voor een onmerkbare maar heilzame terugloop-afstoot van B2, wat pousseren voorkomt.
- Neem B2 dun: Dun aanspelen vermijdt dat B1 op B2 blijft ‘plakken’.
Het voorkomen van (de tweede) Biljardé
Omdat B2 dun wordt aangespeeld om de eerste biljardé te vermijden, raakt B1 de derde bal (B3) vrijwel vol, wat een nieuw risico op pousseren bij B3 veroorzaakt. Om dit op te lossen, vervangt Conti de felle onderarmstoot door een zuiver, langzaam doorschuiven van de keu zonder enige terugtrekking.
- Geen spierkracht: Alle spierkracht wordt uitgeschakeld en men schuift de keu uitsluitend op zijn eigen gewicht (bijvoorbeeld 470 gram) heel langzaam tegen B1.
- De veiligheidsrem: De massa van B1 en het gewicht van de keu vormen samen een automatische veiligheidsrem die pousseren op B3 fysiek bijna onmogelijk maakt.

Het Experiment en de ‘Middelvinger-techniek’
Conti ontdekte deze doorbraak via een bijzonder experiment bij een leerling die wanhopig bleef pousseren. Hij liet de leerling de keu los in evenwicht op de onderarm leggen en zonder de keu vast te pakken langzaam naar B1 schuiven. Doordat er geen spierkracht kon worden toegevoegd en de keu niet teruggetrokken kon worden, bleek pousseren tot grote verbazing van de leerling uitgesloten.
Om dit principe in de praktijk toe te passen, ontwikkelde Conti een unieke handgreep:
- De middelvinger-greep: De keu rust niet meer op de onderarm, maar uitsluitend op de top van de licht gekromde middelvinger, zonder dat de hand zich om het hout sluit.
- De rol van het rubber: De rubberen huls rond de greep is hierbij onmisbaar, omdat deze voorkomt dat de vinger over het hout glijdt.
Dankzij deze ontspannen middelvinger-techniek kon Conti de bril-posities moeiteloos uitbuiten zonder fysieke uitputting, wat leidde tot een spectaculaire stijging van zijn algemeen gemiddelde.
