De universele ‘ideale’ houding bestaat niet, er zijn in de praktijk waarschijnlijk net zoveel verschillende houdingen als dat er individuele spelers zijn. Spelers hebben verschillende anatomieën en stijlen, Zelfs onder grote wereldkampioenen ziet men sterk uiteenlopende lichamelijke opstellingen en mechanismen.
Het doel van een goede houding is de speler in staat stellen een zuivere, herhaalbare beweging (afstoot) te maken.
De drie pijlers van een goede houding:
- Stabiliteit: Het lichaam moet rotsvast staan zonder balansverlies.
- Vrijheid voor de motorische arm: De arm moet een onbelemmerde, zuivere zwaaibeweging kunnen maken.
- Uitlijning van het richtend oog: Het dominante oog (moet zich op de juiste kijkas boven de keu bevinden om correct te kunnen mikken
KERNDOEL: Raken waar je op richt en het overbrengen van de juiste energie.
Alleen een stabiele houding en een vaste brug (voorhand) stellen je in staat om het trefpunt op de speelbal exact te laten overeenkomen met je richtpunt en de gewenste energie over te brengen.

Fysieke elementen van de opstelling (Set-up)
Bij het innemen van de positie aan de tafel zijn er verschillende specifieke elementen die de balans en beweging bepalen:
- Plaatsing van de voeten en benen: Zorgt voor de fysieke stabiliteit en de verdeling van het gewicht.
- Hoek van de arm en onderarm: Essentieel voor een gebalanceerde zwaaibeweging van de achterste arm.
- Pols en armstrekking: Het ontspannen buigen van de pols en het strekken van de arm voor een soepele keuvoering.
- Grip op de keu: Het op de juiste plek en met de juiste druk vasthouden van het achtereind.
- Stabiliteit van de brug ( voorhand ): Een stevige, rustige ondersteuning van de keu met de hand op het laken.
Voorbereiding en Algemene Uitgangspunten
- Stootanalyse en visualisatie: Voordat de speler in de houding gaat staan, moet deze achter de stootbal gaan staan, de stootrichting bekijken, de dikte op bal 2 bepalen en de stoot volledig visualiseren. Alle stootparameters worden vastgesteld vóór het innemen van de stand.
- Comfort en perfecte stabiliteit: De speler moet zich comfortabel voelen en beschikken over een perfecte stabiliteit.
- Minimale spierspanning: Spierspanning en spiercontractie moeten zo laag mogelijk worden gehouden; de spanning bevindt zich voornamelijk in de dijbenen en knieën. Hoe meer spanning in het lichaam, des te krampachtiger de afstoot wordt.
- Laat de keu het werk doen: Het hoofddoel van de houding is het leveren van een soepele, ontspannen en zuiver rechtlijnige gelanceerde afstoot. Het lichaam mag tijdens de afstoot absoluut niet meestoten.
Been- en Voetenstand (De Basis)
- Drie steunpunten: Een stabiele houding rust op drie steunpunten: de twee voeten en de voorhand.
- Plaatsing van de voeten:
- Voor een rechtshandige speler wordt de rechtervoet op de stootrichting (loodrecht op de keurichting) geplaatst.
- De linkervoet wordt in een hoek van ongeveer 45° geopend schuin naar de keu toe geplaatst (de voeten staan zoveel mogelijk parallel en maken een hoek van circa 45° t.o.v. de keurichting.
- De voeten staan gemiddeld 50 tot 60 cm uit elkaar; te dicht op elkaar staan maakt de speler wankel.
- Aanpassing aan het stootbeeld:
- Kleine stoot / klein spel: De voeten staan wat dichter bij elkaar en het bovenlichaam staat wat meer opgericht.
- Grote stoot / precieze “attack”-stoot: De voeten worden verder uiteen geplaatst en de speler bukt iets meer.
- Spanningsverdeling: De speler zak altijd licht door de knieën en voelt evenveel spanning in het linker- als in het rechterbovenbeen.
Verticale Uitlijning en Lichaamshouding
- Rechtlijnig stoten: De speler moet zo staan dat de keu kaarsrecht gestoten kan worden.
- Het verticale vlak: Er dient een exacte rechte lijn (verticaal vlak) te bestaan tussen de ogen (het oog waarmee je richt), de bovenarm, de achterhand en de wreef van de rechtervoet.
- Positie van hoofd en arm:
- De keu bevindt zich verticaal onder de neus of onder het dominante oog.
- De rechterelleboog bevindt zich loodrecht boven de keu.
- De pols en onderarm vormen één lijn met de bovenarm (zonder naar binnen of buiten te draaien).
- Hoogte van het bovenlichaam: Het bovenlichaam is ontspannen gebukt, maar mag bij klein spel niet te laag liggen; een meer opgericht bovenlichaam biedt beter overzicht, een betere inschatting van de onderlinge afstanden tussen de ballen en helpt een touché op bal 1 te voorkomen.
Fixatie, Ogen en Ademhaling
- Onbeweeglijkheid van heup en hoofd: De heupen en het hoofd blijven voor, tijdens en na de afstoot stil en draaien niet mee met de stoot.
- Enkel het ellebooggewricht beweegt: Tijdens de afstoot mag uitsluitend het rechterellebooggewricht bewegen.
- Focus van de ogen:
- De ogen richten zich ontspannen op één vast punt: speelbal, bal 2 of de band waarnaar wordt afgestoten, zonder te knipperen.
- Tijdens het heen en weer bewegen wordt er niet naar de 3e bal of band gekeken, en na de afstoot wordt speelbal 1 niet gevolgd met het hoofd of de ogen.
- “Standbeeld”-principe: Na de stoot blijft de speler als een onbeweeglijk standbeeld staan voor een correcte afwerking.
- Ademhaling: De speler blijft normaal doorademen en houdt de adem niet in voor de stoot.
Achterhand, Arm- en Polshouding
- Hoek en beweging: De onderarm beweegt heen en weer vlak langs het lichaam en maakt een hoek van ongeveer 90° met de keu. De bovenarm en keu liggen in één verticaal vlak.
- Grip op de keu: De keu rust losjes op de gebogen vingers en wordt aan de andere kant tegengehouden door de duim.
- Voorkom knijpen: Knijpen, klemmen of het plaatsen van de duim op de keu is fout; dit veroorzaakt een gespannen pols, blokkeert de polsbeweging en vermoordt de kwaliteit van de stoot.
- Scharnieren met de pols: Voor een stoot met veel kwaliteit scharniert de pols met ongeveer 1 cm speelruimte in de achterhand, zodat de handpalm tijdens de stoot de keu niet raakt (pas na de volledige doorhaling maakt de handpalm contact).
- Aangrijpingspunt: Bij korte stoten verschuift de achterhand iets naar voren; bij lange stoten naar achteren.
- Geen afwijking: De achterhand mag tijdens de stootbeweging in geen enkele richting onbewust afwijken.
Voorhand (Bridge) als Steunpunt
- Functies: De voorhand fungeert als een licht steunpunt dat dient voor een goede geleiding van de keu en het bepalen van de raakhoogte op de speelbal.
- Houding van de voorarm: De voorarm is licht gebogen en rust niet op het biljart om spanning in de schouderpartij te voorkomen.
- Afstand tot speelbal:
- Varieert meestal van 5 tot 15 cm.
- Bij klein spel is de voorhand korter; bij groot spel met veel vaart kan een voorhand van meer dan 15 cm gekozen worden. Een te lange voorhand verhoogt echter de kans op afwijkingen en ketsen.
- Rotsvaste positie: De voorhand moet rotsvast en onbeweeglijk stil op het laken blijven liggen, zowel voor als direct na de afstoot, en mag nooit worden weggetrokken of opgetild
Correctie op elk niveau
- Impact van kleine details: Elke speler, ook de top spelers, passen soms kleine details in de lichaamshouding aan, omdat een klein defect in de houding een schadelijke invloed kan hebben op de hele keuvoering.
- Evaluatie: Film je zelf en kijk naar de balans, lichaamshouding, brughouding en grip, omdat mechanische afwijkingen vaak hun oorsprong vinden in een gebrekkige opstelling.
- Academisch vs. Functioneel: Een minder ‘academische’ houding hoeft een goede afstoot niet in de weg te staan; zolang de houding stabiel is en de speler raakt wat hij mikt, kan hij uitstekend presteren.
