Zonder een stabiele en correcte houding is het lastig om met de keu kaarsrecht te kunnen stoten!
Alhoewel de lichaamshouding inderdaad het allerbelangrijkste fundament van je techniek is, is er geen “perfecte” universele houding, omdat elk menselijk lichaam anders is gebouwd. Wat voor de ene biljarter comfortabel en stabiel aanvoelt, is voor de ander fysiek onmogelijk of pijnlijk.

Wel is er het KERNDOEL, en dat is te raken waar je op richt!
Hiernaast zie je Wan Choi Young tijdens de worldcup 3banden in Lier, alles staat ‘schots en scheef‘.
- Hij staat naast zijn keu
- Elleboog naar achter getrokken en niet loodrecht boven de keu
- Onderarm scheef naar buiten
- Pols naar binnen gedraaid
Maar als je de QA ronde in je poule Lier winnend afsluit met een gemiddelde van 1,795
DOE JE TOCH IETS GOED !!!!!!
Raken waar je op richt
Dit doe je door een ontspannen en soepele afstoot, zuiver, rechtlijnig zonder krampachtige spanning. De spanning en spiercontracties dienen zo laag mogelijk te worden gehouden. De speler moet een comfortabel gevoel en perfecte stabiliteit ervaren, laat de keu het werk doen.
De speler staat achter de bal, bepaalt de dikte op bal 2 en visualiseert hoe de stoot uitgevoerd gaat worden. Vanuit dit gegeven gaat hij in de houding staan om te kunnen stoten. Het lichaam mag niet meestoten tijdens de afstoot, ook moet de ademhaling normaal doorgaan.
Richten doe je door met je lichaam en keu in de juiste stootrichting te gaan staan. De ogen ontspannen. Het eerste richten vanuit het midden van de speelbal naar bal 2 of de band waarnaar toe wordt afgestoten. Daarna het hoog/laag en zij effect aanpassen met de voorhand. Tijdens het limeren, voorbewegen, wisselt de fixatie van de ogen tussen de speelbal en bal 2 of band, om zeker te zijn dat je raakt waarop je richt.
Bij open spel (een lange bal) zijn de ogen tijdens de afstoot gefocust op de dikte van bal2 of de band die de speelbal moet raken. Bij een korte afstand (klein spel), bijvoorbeeld een rappel, ligt de focus tijdens de afstoot op de speelbal, de plek waar de pomerans de speelbal gaat raken.
De voorhand dient stabiel en ontspannen te zijn, ‘strak’ om de keu maar niet zo strak dat deze niet meer door de vingers kan glijden. Dit alles weer met als doel, exact het punt te raken van de speelbal waar je op richt. De achterhand houdt uw keu losjes vast, nooit knijpen of klemmen daarmee gaat de kwaliteit uit de afstoot.
Rechterop of hoger op staan heeft als voordeel dat je een beter overzicht over de positie van de ballen, maar dat je de dikte van het aanspelen van de bal 2 niet goed kan inschatten. Laag heeft als voordeel dat je de dikte van aanspelen van bal 2 beter ziet (kan interessant zijn bij dun spelen). Een nadeel is dat je de looplijn van de speelbal (tussen bal 2 en de 1ste band) moeilijker kan visualiseren.
Bij een stoot mag niets bewegen ENKEL het rechterelleboog gewricht, na de stoot blijft u als een STANDBEELD onbeweeglijk staan, na stoten kan hierbij een hulpmiddel zijn. De speelbal NIET nakijken.
